De Wet DBA, een debacle?

De Wet DBA, een debacle?

Het heeft voor nogal wat commotie gezorgd, de afschaffing van de VAR en de invoering van de Wet DBA. ZZP-ers klagen dat zij sinds 1 mei jl., de datum waarop de wet in werking is getreden, nauwelijks meer opdrachten krijgen. Opdrachtgevers klagen ook; zij zijn bang voor naheffingsaanslagen loonbelasting en sociale premies en zoeken naar andere oplossingen, bijvoorbeeld payrolling. Diverse politici dringen aan op het afschaffen van de Wet DBA. Tegenover deze kritische geluiden wringt staatssecretaris Wiebes zich in allerlei bochten om uit te leggen waarom de nieuwe wet wél deugt. In dit artikel wordt, na een korte beschouwing over de verschillen tussen de arbeidsovereenkomst en de overeenkomst van opdracht, uitgelegd wat er met de invoering van de Wet DBA is veranderd en waarom de nieuwe regels zoveel weerstand veroorzaken.

Opdrachtovereenkomst - arbeidsovereenkomst

Of op basis van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht werkzaamheden worden verricht, heeft grote gevolgen. In tegenstelling tot de werkgever hoeft de opdrachtgever over het betaalde loon geen loonheffingen in te houden. De opdrachtnemer mist de wettelijke werknemersbescherming (zoals het recht op loon tijdens ziekte). Het is dus belangrijk dat iedere arbeidsrelatie goed wordt ‘geduid’. Partijen hebben daar natuurlijk zelf baat bij, maar het is ook in het belang van derden, zoals de Belastingdienst en het UWV.

De arbeidsovereenkomst wordt gekenmerkt door drie elementen: (1) de verplichting van de werknemer persoonlijke arbeid te verrichten, (2) de verplichting van de werkgever loon te betalen en (3) het bestaan van een gezagsverhouding.

Dat klinkt eenvoudig, maar is het allesbehalve. Want wat is nu precies een persoonlijke arbeidsverplichting? En waar gaat de bevoegdheid van de opdrachtgever aanwijzingen te geven aan diens opdrachtnemer over in een gezagsverhouding? In de (fiscale en civiele) rechtspraak zijn deze vragen veelvuldig aan de orde geweest. Rechters hebben zodoende richtsnoeren voor de praktijk ontwikkeld.

De VAR, hoe was het ook weer?

Tot 1 mei jl. werd de opdrachtgever gevrijwaard voor het inhouden van loonheffingen als de ZZP-er beschikte over een VAR (wuo of dga). De VAR werd door de opdrachtnemer aangevraagd. Voor opdrachtgevers was dit gunstig: de opdrachtnemer was verantwoordelijk voor het verkrijgen van een VAR en de opdrachtgever werd gevrijwaard voor het inhouden van loonheffingen[1].

De Wet DBA

Sinds 1 mei jl. is de Wet DBA in werking getreden en de VAR afgeschaft. De juiste duiding van de arbeidsrelatie is sindsdien een gezamenlijke verantwoordelijkheid van opdrachtgever en opdrachtnemer. De vrijwarende verklaring bestaat niet meer; als ten onrechte geen loonheffingen zijn afgedragen, krijgt de werkgever te maken met een naheffingsaanslag. De Belastingdienst spoort partijen aan gemaakte afspraken vast te leggen. Dat kan (maar hoeft niet) met ‘hulp’ van de Belastingdienst, op twee manieren:

  1. door gebruik te maken van een modelovereenkomst;
  2. door een eigen overeenkomst goed te laten keuren.

1. Modelovereenkomst

De Belastingdienst heeft op haar site een aantal modelovereenkomsten gepubliceerd. Op de verschillende modelovereenkomsten is (terechte) kritiek gekomen. De overeenkomsten zijn niet steeds in overeenstemming met het in de rechtspraak ontwikkelde kader. Dit heeft geleid tot het instellen van de Commissie Beoordeling Modelovereenkomsten. Deze commissie zal in het 4e kwartaal van 2016 aan de Tweede Kamer rapporteren.

2. Goedkeuring eigen overeenkomst

Het is ook mogelijk een eigen overeenkomst door de Belastingdienst te laten toetsen. Ook dit is niet verplicht. In de praktijk blijkt echter grote behoefte te bestaan aan zekerheid vooraf: op 1 augustus jl. had de Belastingdienst al 4481 overeenkomsten ter goedkeuring ontvangen – veel meer dan de staatssecretaris had voorzien – waarvan er op dat moment slechts 370 waren goedgekeurd en 1033 afgewezen. De overige contracten waren nog in behandeling of alweer ingetrokken. Gemiddeld duurde de beoordeling bijna elf weken in plaats van de beloofde zes.

DeBAcle?

Volgens haar eigen slogan wil de Belastingdienst ‘het makkelijker maken’ maar daar is bij de uitvoering van de Wet DBA nog niet veel van terechtgekomen. Contractspartijen willen graag voor aanvang van de werkzaamheden zekerheid over de aard van hun arbeidsrelatie. De modelovereenkomsten voldoen vaak niet en de doorlooptijd voor het laten goedkeuren van een eigen overeenkomst is zo lang, dat daar vaak niet op gewacht kan worden en de ZZP-er al met zijn werkzaamheden moet starten voordat het oké-stempel van de Belastingdienst op het contract staat (áls dat al gebeurt, want de meeste contracten worden afgekeurd).

Het kan dan wel zo zijn dat met de invoering van de Wet DBA voor de inhoudelijke beoordeling van de arbeidsrelatie geen wijzigingen zijn beoogd (het beoordelingskader is niet veranderd), door de manier waarop de Belastingdienst naar de contracten kijkt, zijn veel ZZP-ers en hun opdrachtgevers onzeker. Dat is soms onnodig (in situaties waarin overduidelijk geen sprake is van een gezagsverhouding of een persoonlijke arbeidsverplichting) maar meestal heel begrijpelijk. De opdrachtgever en de ZZP-er doen er in elk geval goed aan voor aanvang van de werkzaamheden een contract op maat op te (laten) stellen waaruit blijkt dat het de bedoeling is een overeenkomst van opdracht te sluiten én vervolgens ook conform die overeenkomst met elkaar te werken.

Brigit van de Ven-Meier, advocaat arbeidsrecht

Vlaskamp Advocaten

[1] De VAR had, net als nu de Wet DBA, alleen betrekking op de fiscaal- en sociaalrechtelijke kwalificatie van de arbeidsrelatie.