ROKJES. HEEFT DE WERKGEVER ER IETS OVER TE ZEGGEN?

ROKJES. HEEFT DE WERKGEVER ER IETS OVER TE ZEGGEN?

ROKJES. HEEFT DE WERKGEVER ER IETS OVER TE ZEGGEN?

De makers van film Rokjesdag hadden zich geen betere reclamecampagne kunnen wensen. Vlak na de première, begin deze maand, besloot een teammanager van de gemeente Amsterdam dat ‘zijn’ baliemedewerksters geen korte rokjes meer mochten dragen. Nadat één van de baliemedewerksters haar ongenoegen over dit voorschrift had gedeeld met de centrale ondernemingsraad van de gemeente Amsterdam, dook de pers op de Amsterdamse rokjes en de gemeente, die zich haastte in diverse media te verkondigen dat van een verbod op het dragen van korte rokjes geen sprake is en dat enkel geldt dat medewerkers van de gemeente Amsterdam ’professioneel en representatief gekleed’ gaan.Het rokjesvoorschrift van de betreffende teamleider staat niet op zichzelf. Regelmatig zijn door de werkgever uitgevaardigde kledingvoorschriften onderwerp van geschil. Zo speelde in een zaak die in 2015 door de Utrechtse kantonrechter werd beslist, een tegenovergesteld voorschrift: de directeur van een ingenieursbureau verlangde van zijn secretaresse dat zij nauwsluitende satijnen kleding en hoge hakken droeg. De reden? Hij hield van ‘glimmende vrouwen’ en geloofde dat het dragen van satijn zou bijdragen aan zijn zakelijke succes. De kantonrechter maakte daar korte metten mee en oordeelde dat sprake was van seksuele intimidatie.

Overigens gaat het in dit soort zaken niet steeds om kleding. Ook piercings, baarden, oorbellen en andere uiterlijkheden passeerden de revue. Nog een voorbeeld: een leidster op een kinderdagverblijf met in elk oor 3 oorbellen mocht van haar werkgever plotseling niet méér dan 1 oorbel per oor dragen. De kantonrechter Amersfoort die daarover in 2007 moest oordelen, overwoog dat het dragen van 3 oorbellen per oor gelet op de aard van het werk en de branche op zichzelf niet ongewoon of ongepast is. Nu de groepsleidster bovendien al jarenlang in elk oor 3 oorbellen droeg en geen sprake was van klagende ouders, was de eis van het kinderdagverblijf onredelijk.

De genoemde zaken hebben met elkaar gemeen dat de werkgever zich vergaloppeerde door onredelijke, soms zelfs onrechtmatige, eisen te stellen aan het uiterlijk van werknemers. Maar mag een werkgever op dit vlak dan helemaal niets verbieden (of juist voorschrijven)? Natuurlijk wel. Maar er zijn (gelukkig) grenzen.

Wat zijn de regels? In de wet is bepaald dat de werkgever een ‘instructiebevoegdheid’ heeft. De werknemer moet zich houden aan voorschriften van de werkgever omtrent het verrichten van de arbeid, maar ook ‘ter bevordering van de goede orde in de onderneming’. Wanneer die voorschriften het uiterlijk van de werknemer betreffen, kan het om verschillende soorten voorschriften gaan:

  • i.bedrijfskleding moet in beginsel door de werknemer worden gedragen;
  • ii.wanneer een religieus aspect een rol speelt, zoals bij het (verbieden van) het dragen van een hoofddoek of een kruis, weegt de godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting in het algemeen zwaarder dan het instructierecht van de werkgever (dat kan uiteraard anders zijn wanneer het voorschrift te maken heeft met veiligheid of hygiëne);
  • iii.bij andere kledingvoorschriften / uiterlijke do’s & don’ts zal de werkgever een objectief gerechtvaardigd belang moeten hebben – er zal een belangenafweging plaatsvinden in het kader waarvan onder andere maatschappelijke opvattingen, de aard van het werk en de opvattingen van klanten een rol spelen;

Kortom: of een werkgever van zijn werknemers kan verlangen dat zij voorschriften over hun uiterlijk opvolgen, hangt, zoals zo vaak in het arbeidsrecht, af van de omstandigheden van het geval.

Ter afsluiting een laatste praktijkvoorbeeld, van wat langer geleden. In 1985 oordeelde de kantonrechter Heerenveen dat de werkgever de vrouwelijke werknemers mocht verbieden om een broek te dragen. Of zij nu klantencontact hadden of niet: de dames dienden gekleed te gaan in een jurk of een rok met een blouse. Het argument van de werkneemster dat dit kledingvoorschrift discriminerend was, werd door de kantonrechter gepasseerd met de volgende opmerkelijke onderbouwing: “Niet valt in te zien waarom het verbod voor vrouwelijke personeelsleden om een lange broek te dragen discriminerender zou zijn dan het (stilzwijgende) verbod voor mannelijke personeelsleden om in een jurk op hun werk te verschijnen.” Humor en arbeidsrecht gaan soms hand in hand.

Brigit van de Ven-Meier